Veldexperimenten als methode om de effectiviteit van energiebesparingsbeleid te meten


Overheden gebruiken beleidsmaatregelen om consumenten beter te laten nadenken over hun energieverbruik. Veldexperimenten zijn de enige methode om vast te stellen of consumenten inderdaad minder energie verbruiken als gevolg van het gevoerde beleid.

Hunt Allcott van New York University presenteerde op 15 mei j.l. in Den Haag zijn onderzoeksresultaten op het 10e Energy Economics Policy Seminar georganiseerd door Benelux Association for Energy Economics en anderen. Zijn werk werd becommentarieerd door Herman Vollebergh (PBL) en Co Westerweel (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

Sinds de energiemarkt is geliberaliseerd is ongeveer 40% van alle huishoudens ooit overgestapt naar een andere energieleverancier. Het andere deel (60%) van de consumenten zit nog bij dezelfde leverancier.

Het reduceren van energiegebruik door bijvoorbeeld isolatie van woningen of het zetten van dubbel glas resulteert in een daling van de energiekosten en in een verhoging van het budget van huishoudens. Maar lang niet alle consumenten pakken dit op, ondanks allerlei campagnes en stimuleringsmaatregelen die de besparingen duidelijk maken en consumenten pogen aan te zetten tot minder gebruik van energie.

Deze twee observaties duiden waarom beleidsmakers geïnteresseerd zijn in het gedrag van consumenten. Waarom maakt het merendeel van energieconsumenten geen gebruik van de vrije keuze uit energieleveranciers? Waarom klussen huishoudens niet massaal om de energieconsumptie te verlagen en hun bestedingsbudget te vergroten? Aan de borreltafel zijn antwoorden zo verzonnen, maar om het gedrag van energieconsumenten beter te begrijpen is onderzoek nodig.

Hunt Allcott onderzoekt het gedrag van consumenten (huishoudens) in energiemarkten. Zijn resultaten baseert hij op veldexperimenten op basis van gerandomiseerd onderzoek met een controlegroep. Een recent voorbeeld is een veldexperiment waarin een Amerikaans energiebedrijf tweemaandelijks een huisenergierapport stuurt aan klanten. Het rapport toont grafisch in één oogopslag het energiegebruik van de klant ten opzichte van het gemiddelde gebruik in de buurt en het gebruik van de meest efficiënte buurtgenoten. Op de achterzijde staan eenvoudig te implementeren methoden om energiegebruik en de daarmee gepaard gaande kosten te verlagen. Het onderzoek toont aan dat huishoudens die de rapporten ontvangen inderdaad hun energiegebruik significant verlagen ten opzichte van huishoudens die de rapporten niet ontvangen.

Door de willekeurige selectie van beide groepen verwacht de onderzoeker dat de eigenschappen van de groepen gelijk zijn, behalve dan dat de eerste groep een rapport heeft ontvangen en de tweede groep niet. Allcott betoogt dat deze manier de causaliteit vaststelt; het verschil in energiegebruik tussen de twee groepen wordt immers alleen verklaard door het feit dat de ene groep consumenten wel en de andere groep consumenten geen rapporten ontvangt. Allcott betoogt verder dat niet-experimentele methoden onjuist en misleidend kunnen zijn, omdat deze geen rekening houden met allerlei factoren die het resultaten mede kunnen beinvloeden. Bijvoorbeeld een onderzoek waarin het energiegebruik van huishoudens voordat zij de rapporten ontvingen wordt vergeleken met de periode dat zij rapporten ontvingen. Een eventueel resultaat kan dan verklaard worden door het ontvangen van het rapport, maar ook door andere factoren zoals een algehele daling van energieconsumptie door een warmere winter. Dit maakt dat de onderzoeker niet kan vaststellen dat alleen het rapport de daling in energieconsumptie heeft veroorzaakt. Conclusies uit dergelijke onderzoeken kunnen dus misleidend zijn.

In een ander onderzoek vraagt Allcott zich af of het geven van real-time prijsinformatie aan consumenten leidt tot minder energiegebruik, bijvoorbeeld doordat die meer prijsbewust worden. Door het energiegebruik van een groep huishoudens die real-time prijsinformatie krijgen te vergelijken met het gebruik van een groep die dergelijke informatie niet krijgt, kan de onderzoeker vaststellen of een daling in energiegebruik daadwerkelijk komt door het geven van prijsinformatie. Allcott vindt dat de groep met real-time prijsinformatie significant minder energie gebruikt, met name overdag. ’s Avonds laat is er nagenoeg geen verschil in gebruik tussen beide groepen.

Herman Vollebergh stelde na afloop op dat er al vele duidelijke resultaten over het gedrag van energieconsumenten op basis van experimenten zijn. Hij is echter sceptisch dat overheden bereid zijn om te leren van deze nieuwe inzichten en dat beleidsmakers bereid zijn om in dergelijke methoden te investeren. Een reactie uit de zaal was dat soms dit soort experimenten niet mogelijk zijn en we het moeten doen met de data die we hebben. Co Westerweel gaf voorbeelden van verschillende maatregelen die de Nederlandse overheid succesvol en minder succesvol heeft ingezet om huishoudens aan te zetten tot het beter nadenken over en verminderen van energiegebruik.

De presentaties van Allcott en discussanten staan op: http://www.baee.eu/10th-energy-economics-policy-seminar.html
Contact: Ronald Huisman, Erasmus School of Economics, Energy Global, Benelux Association for Energy Economics.

Verschenen op nieuwsbriefmilieueneconomie.nl