Waarom is de verwachte vraag naar gas in april moeilijk in te schatten?


Als we de vraag naar gas in een toekomstige periode inschatten, baseren we dat op twee parameters: de verwachte vraag naar gas in die periode en de mogelijke variatie in de vraag naar gas. De vraag naar gas van huishoudens met profiel G1A hangt af van de stooktemperatuur en de effectieve temperatuur (zoiets als een gevoelstemperatuur). De stooktemperatuur is een grenswaarde waaronder mensen gaan stoken; als de effectieve temperatuur lager is dan de stookwaarde zetten huishoudens hun verwarming aan. De hoeveelheid gas die ze vervolgens nodig hebben, hangt af van hoeveel de effectieve temperatuur lager is dan de stooktemperatuur.

Een voorbeeld. De stooktemperatuur is gemiddeld 12,5°C op een dag[1]. Als de effectieve temperatuur 15°C is, verwarmen huishoudens niet en is er dus weinig vraag naar gas. Als de effectieve temperatuur 5°C is gaan huishoudens verwarmen. De hoeveelheid gas die zij daarvoor nodig hebben is meer dan wanneer de effectieve temperatuur 10°C zou zijn. Om de vraag naar gas in te schatten hebben we dus inzicht nodig of er wel of niet gestookt gaat worden en wat de vraag naar gas is als er gestookt wordt.

De volgende tabel toont wat wij inschatten voor verschillende dagen in 2015.

tabel gas

 

Laten we eerst kijken naar de kolom voor 1 januari 2015. We verwachten voor die dag een gemiddelde effectieve dagtemperatuur van 0,88°C. De mate van variatie die we verwachten, in termen van een 95% betrouwbaarheidsinterval, is dat de gemiddelde effectieve dagtemperatuur zal liggen tussen -3,1°C en +4,9°C. Bij een stooktemperatuur van 12,5°C is de kans dus heel groot dat er die dag gestookt wordt. Wij schatten de kans op niet-stoken in op 0,00% voor die dag. De schattingen zijn nauwelijks anders voor 30 januari. Voor januari is het beeld dus dat er naar verwachting elke dag gestookt wordt. De mate van variatie in de vraag naar gas voor januari 2015 komt dus voornamelijk door de variatie in temperatuur.

Het beeld is anders voor de lentemaand april. Kijk nu naar de kolom in de tabel voor 30 april. Wij schatten de gemiddelde effectieve dagtemperatuur voor 30 april in op 9,99°C. Bij een stooktemperatuur van 12,5°C verwachten we dus dat huishoudens verwarmen. Maar als we kijken naar het 95% betrouwbaarheidsinterval dan zien we dat de werkelijke temperatuur maximaal 13,8°C kan zijn. En bij die temperatuur verwarmen huishoudens niet. We schatten in dat de kans op niet-stoken voor die dag 9,79% is. Dit betekent voor het inkopen van gas dat we naar verwachting inschatten dat mensen gaan stoken, maar dat er een bijna 10% kans is dat ze dat niet zullen doen.

Dit is het grote verschil tussen een flankmaand als april en een maand als januari. In januari weten we bijna zeker dat huishoudens gaan verwarmen en dus gas nodig hebben. De onzekerheid die we hebben is alleen afhankelijk van de schommelingen in temperatuur. In april weten we niet zeker of huishoudens gaan verwarmen. We hebben dan meer onzekerheid. Als huishoudens verwarmen, dan is de onzekerheid net als in januari afhankelijk van de variatie in temperatuur. Maar als huishoudens niet verwarmen, dan is er geen vraag naar gas. We hebben in april dus te maken met een soort alles of niets scenario.

Daarbij komt dat dit beeld niet constant is over de maand april. De parameters verschilden bijna niet tussen 1 januari en 30 januari. Er is echter een groot verschil tussen 1 april en 30 april. De kans op niet stoken op 1 april is 0,05% en diezelfde kans is 9,79% op 30 april

Dit alles maakt dat de vraag naar gas in april moeilijker is in te schatten dan bijvoorbeeld de vraag naar gas in januari. En dit geldt voor alle maanden waarin temperaturen veranderen: april, mei, oktober, en november.

Wat betekent dit voor het inkoopbeleid?
Iemand die gas inkoopt op basis van alleen verwachtingen (dit doen de meeste inkopers), moet zich realiseren dat de kwaliteit van de verwachting voor april een stuk slechter is dan voor januari. Anders gezegd, de onzekerheid van het verwacht gasvolume voor april is groter dan voor januari. Dit betekent weer dat men voor april op een andere manier zou moeten inkopen dan voor januari en voor energieleveranciers betekent dit tevens dat je voor levering in april een hogere opslag in de leveringsprijs zou willen hanteren ter compensatie voor het risico dat je teveel inkoopt.

Bij “een andere manier van inkopen” kun je bijvoorbeeld denken aan een andere hedge-ratio voor april dan voor januari. Je hanteert dan een andere strategie voor april dan voor januari. Wij baseren zo’n inkoopstrategie door de verwachte vraag naar gas en prijzen te simuleren voor allerlei leveringsperioden in de toekomst en die inkoopstrategie te kiezen die overeenkomt met de risicohouding van de onderneming. Die risicohouding wordt bepaald door hoe tolerant de onderneming is als het gaat om verliezen (value-at-risk), maar wordt ook bepaald door bijvoorbeeld groeiscenario’s, kredietlimieten, onderpanden en dergelijke. Wij voeren dergelijke simulatiestudies uit om die inkoopstrategie te bepalen die variatie in gasvolumes en gasprijzen aankan zonder dat de onderneming meer risico loopt dan het kan dragen.

[1] ’s Nachts in de winter ligt de stooktemperatuur weliswaar lager, maar gemiddeld is de stooktemperatuur redelijk constant gedurende het jaar.